Kas Knoop
Omdat het nu eenmaal zo is.
Schrijft omdat hij schrijft.
Introductie
Kas Knoop
Omdat het nu eenmaal zo is.
Schrijft omdat hij schrijft.
Introductie
2 – 310
Dicht is zij als
van familie
waarbij het vlamt.
Ben als jij
het dat is
vol in mij
wat ik mis
kan met wij
vul je vis.
2 – 309
Met het moet jij
hier het midden tussen en en de
maakt hunkeren
vliegt het oog
liggend ziet
van dit in
heb jij deze weke oneindigheid
eenvoudig in dit delen
zo is het wel
zo is het dit
gevuld zitten
de luie gewichtigheid
ingekapseld en geslibd
zo stom is
vleugelen we daareven
gevangen in missen
komt het verbonden met jou.
Wat in je is
zie ik zo
dat zal van
dit jij in je
wat uit me is
zet ons aan.
2 – 308
Het had
zodat dit mag
mag en maar
want
heeft haard.
Zeg het als is
wat van het jou zet
om tot bij het mij
zo ken je het mee
als wat ik zie
dat wij en de weg.
2 – 307
Ik ben zo het zette
hem in hun midden verdwenen
wat daar in valt
geweest naar wanneer
alsof je de hij bent
zie je soms zijn bezit uit
dat doe ik
hoe nu staat
tussen hem van mee naar onder
boven alsnog werd gespeeld
zag zij zich verraden hijgend
en verplaatste
adem tot adem bracht.
Van het is
dat aan is
tot mee is
bij jou is
en mij is
nu ons is.
2 – 306
Mijn moet nadat
mijn en als je weet
dat onderin zo zit
ik in het geheel
de één heeft je op
de radar van voorraden
navigeer je zowat in
dierbaar beroepen
blijvend rood
dodelijk straks
vanochtend bij het halen
in die aar
is het door
weer de kleine nesten
naar ik soms onderin
als af van of zien wordt.
2 – 305
Ik ben geplukte één
en heb een daarmee
daarna in vallende staat
de één van mijn aan
het kleurt en is stevig
dat uitgedroogde al ziet
voorbij of een of
zolang mij ik is
het doorzichtige huis
in één in
en ben je elk
gedreven van inwilligbaar
hun dansen
wat met een werd
mijn
zoals jij ziet
in elke afwachtende slag
wat opduikt
niet het danken
of die vraag
dat kan aan
liep zo ingesloten
dat niemand blind is
in dit zweet
wat opwipt
kan Ach worden
ontwaakt ik met precies
zoals dit dacht
het zijn maart alsof
dat ik.
Ken je dat lot
een ik van nu
dat zet jij op
en met dit mij
wat van jou is
zal het in me.
2 – 304
Cementeert het gevogelte van spuwen
keizert de echo van de kudde
pist hier op en is getrapt
is het liefst
met het van je naderen
met aan en afronden
en het vertwijfelde zoals
het raam in de nacht
in dit waar
in een wanneer
en grijze invang
divandienaar
van donker blind
genomen.
Hoe het ook is
is dat jou
met in mij mee
zet je nu op
en aan de zet
vol van dit al.
2 – 303
De één
voelbaar schampt mijn oog
welgeteld door van krom is
heb je gezet je straat koop
van wij nihil getroefd komen
zwaait dit zijn
hoort hij ziehier
mar is ondergaan
zijnde zijn hij
slakend denken
waar hij ver formaat wordt
is mijn ik zijn
opgepookt in
dat zijn raakt.
Kun je als ben je
het nu aan ook
als wat wel is
en ik doe het zal
dat het jij is
van dit is in al.
2 – 302
Dit naar door
een kathedralen
sissende op de blauwe broodplank
blauw van ultramarijn uitgeput
en die
terwijl ik totdat insliep
ondergronds meer van dat oude
doodse blauwe
heeft één die vragen
van misschien en als
de maarweefsels
zijn in liefde
moeten rood van moet
stuf ik je tegen
heten we branie
vorken gelegen
daad me onspreekbaar
hij de jongen iets omdat
met alleen terwijl zo
geopende adders
want jij waard
vreemd hij
genist
dus idioot krassen naar toen
al één
heten de lichtkring
bij zijn nieuwe linden
maar in de kan
dagen in O dat
ment in omgebracht wild
omdat je dacht als
in maar
mengt de maar dat drinken
en
je verwacht geen.
Bij het jou
zie ik mee
van in ons
de wil vol
en hol tot me
dat jij is mij.
2 – 301
Breek de geslagen struizende
vissend
geschapen of gegoten
heet gepaard
klippend bij dat vrij
fladdert
kiest armlengte
enkel smaak
ik dacht en diepte
die ik nouden
zo’n houden
het één
hij toen
ik ben lekker wie!
als zie het vol
in jou is die wil
wat van mij kan
dat leg jij aan
vat wij tot ons.
2 – 300
Opeens luisterd
glad gewikt
vuil uitstulpende ogen
driemaal geveinsd
zomaar wat leed.
Nu is als aan
en van je mee
dat ik jou zie
ben zo met me
om tot wel kan
dat wij ons vat.
2 - 299
Wij een voor wij trippen
een lauwe en
niet dat we mensen
wij traceren moord
en op het voorafgaande
waarna we uren omlegen
het daar en één
voor die en toegedragen
neem nu de gewaagde veroorzaker:
van als
neem vecht:
ga naar
in en daar
neem draag en vraag
sluit koud
zet klim op schakel
negeer nemen
zonder dwars
welp als hoeft.
Het om je
dat zo zit
leg me aan
lig tot mij
wat nu is
met in jij.
2 -298
Wat is wanneer versteend
eenmaal
waar
wat in wanneer is.
Zeg het in me
leg dit aan
weg van jou
zet al dat je
let op mij
wet heg tot ons.
2 – 297
Het dat
op en op
en een mijn bezocht
is dat zo
het
het aankondigen is
en
ziekte nog
en delibereerde zo
als kan of
deze gebaarde
buiten één
dekundig gebeuren
dat onderzoek luidt
door
en ik maar
alles is niets verder
nu deunen we
naakt als aan jezelf
wentelt uit
en zonder verhaal
over wind heen
over een ja
en zoals roepen wij.
Het is mee
dat bij je zag
en vol in het nu
en val je op me
dat ik ben jou
het wij zet.
2 – 296
Onze nieuwheid in de morgen
onze morgen maarde nou
onze singel om de toren
onze tot dit aan toe
dat zo heel verschrikkelijke was
dat veel eigenlijk allemaal wel mee.
Het of aan is
als wat is nu
en bij het al
zo zie je in
dat ik ben jou
en ons is nu.
2 – 295
De brieven voor één
verdoezelen de gebaarde erven
nauwlijks verder
dan gehavend.
Aan is het jou
van mee met al
en als dit is
van uit zo mij
wat ik zie om je
en ben jij tot ons.
2 – 294
Al het alle alles van al
daadt het heelende
na het na aandenken
na het voortkomende in
van natgemaakt uitkijk
en weer een regen
beetje bij beetje wit.
Hoe het dat is
van een ook
zag je het zo
het mee is jou
en jij kan zo met mij
dat ik het je ben.
2 – 293
Hijend linksonder
later achter het overliggend bloeien
vervalt het barsten
met ik van
voor ik
en nog even
lezen van blaadjes stilte
is ik de geur
van in niets.
Het wij zit mee
als dit aan is
zet al in ons
zo zie je zal
en hou van jou
les jij dat ik.
2 – 292
Een en al om
zo graait de hikster door
dan asfalt met bloem bestoven
in ge trokken en daar
omsloten in derden
onzinnige wij maar wij
dat geloof
van dat waren
ooit zich zo’n huid zet
door straks de paarden.
Het is die wil nu
wat in me dit had
dus zal aan het jou
ken je het mij en in me
dat van dip uit het ik
gaf aan wat ik ken als jij.
2 – 291
Wij op de wij
met mijn ik
dit
de heeft het
zowel volledig zeg
een ik die onder is
tot en omdat zonnetje
zo’n één
wat
dat dingt
in met heeft iedereen
bij van het rest
een maar waar
heb ik een alleen
voel ik mijn en
waar ik dus blijf
wij en ik
zoals
het straks hoe
opdat ik dit zijn
dat het ’s nachts ik
zie ik waar
alleen te blijven van ik
omdat het op is
omdat ik dat was
en één dat die zag
misschien als een maar
in het tijden
waar van daar nu is
in dat wat
mijn meegaande om
en door om wat
aan dat alsmaar
want in de huid
ben ik.
Het is met je
wat in wel zit
uit ik; zeg al
tel, mis me zo
tik zin; we zal
hou dik ze om.
2 – 290
Laten we niet
niet smakken met lever
want je schreeuwt en schopt
kortom alles
toch dat en dit eten
betekenissen van de moeder
ze betast
voert versnelt
slakend de schreeuw van let.
Het zal is
in dit zat
tot nu zit
tot de wal
in wat zet
het wit aan.
2 – 289
Gehurkt tegen
in het wie
dit geen
uit ondergedoken dromen
een verbinding
hun
zijdelings langs
tegen neergeslagen
naar ze begeleiden
zo heeft het
de omzaag.
Van het zo tot is
het wat in het ook zit
is hoe jij en dat wet
een bij van het elk
is aan en zal
tot van hoe al je met.
2 – 288
Van kabels in de klim
die leiden naar de breuklijn
bereikt je zo de val?
in het mondvol doodgegaan
over uitwaaieren
naar
en in de regen
mij
in enkels en moeten
bij net niet slingeren
over wat zint.
Het jij aan jij
is hoe elk
en elk aan bij
met aan dit
bij het hoe
dat je en jij is
2 - 287
Geen zicht
geen zag
het
zat en dreef.
Het jij is van is
zo met een nu
en van het al
dat mij is jij
en zit in ons
wet dit zal.
2 – 286
Jij je en met
met je en aan
heb ik hoeveel
en weet je daar
in maar
wikkelde hij het
beslikt dit vermalen
maar ik
een van die ik
viel en zat met stof zeker
het één schopte
een pad naar ik
en z’n kruiden
poetste hij zijn als
in als zijn ik
klonk zacht haar maar.
Zo is de zij
een al dat zit
met één zin
ken dit jou
ben ik het ook
en wat wil.
2 – 285
Ik loop op mijn rusten
aan het ook naar
te gemakkelijk in
want ik het
zei ze wat
naar door als tot
deze die mochten
daad.